Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
e.a.

Het ondernemers- en ondernemingsbegrip in de Wet IB 2001

Paperback Nederlands 2020 9789013158786
Op werkdagen voor 17:00 uur besteld, volgende dag in huis

Samenvatting

Aan welke voorwaarden dient een objectieve onderneming te voldoen? En wanneer wordt een belastingplichtige aangemerkt als ondernemer? Deze uitgave biedt u een compleet en actueel beeld van alle aspecten van het ondernemerschap in de inkomstenbelasting. De laatste ontwikkelingen in wet- en regelgeving en jurisprudentie zijn hierin meegenomen.

De maatschappelijke belangstelling voor de problematiek van het ondernemerschap in de inkomstenbelasting is de afgelopen jaren merkbaar toegenomen. Dit is mede het gevolg van de omstandigheid dat het ondernemingsbegrip in de Wet IB 2001 niet scherp is afgebakend. De daarvoor geldende voorwaarden - alsmede de invulling daarvan - worden met name ontleend aan de rechtspraak. In Het ondernemers- en ondernemingsbegrip in de Wet IB 2001 staat de positie van ‘het ondernemerschap’ in de Wet IB 2001 centraal.

De objectieve onderneming
Deze uitgave richt zich uitstuitend op het ondernemings- en ondernemersbegrip, zodat dit onderwerp tot in detail ontleed kan worden. In het eerste deel van deze uitgave vindt u een overzicht en beschouwing van de ontwikkelingen in wet- en regelgeving en jurisprudentie van de voorwaarden voor het bestaan van een objectieve onderneming. Dit overzicht is van waarde in zowel de praktijk als de wetenschap. Vervolgens schetst de auteur de contouren voor de afbakening van de onderneming met twee andere bronnen van inkomen in de inkomstenbelasting, zijnde loon uit dienstbetrekking en resultaat uit overige werkzaamheden.

De ondernemer
Het tweede deel van deze Fiscale Monografie behandelt het wettelijke kader en de voorwaarden die art. 3.4 Wet IB 2001 stelt aan de kwalificatie van een belastingplichtige als ondernemer. Daarbij besteedt de auteur tevens bijzondere aandacht aan de kwalificatie van een belastingplichtige die participeert in een samenwerkingsverband waarin een objectieve onderneming wordt uitgeoefend.

Wet IB 2001
De uitgave is voor u geactualiseerd met de meest actuele wetgeving. Waar de vorige editie nog uitging van het ondernemings- en ondernemersbegrip onder de Wet IB 1964, neemt deze nieuwe uitgave de Wet IB 2001 als basis.

Kortom: wilt u een scherper beeld van het juridische kader omtrent de kwalificatie van een arbeidsverhouding? Of wilt u meer te weten komen over de voorwaarden waaraan een objectieve onderneming moet voldoen? Dan biedt deze uitgave waardevolle inzichten voor u. In dat kader is deze Fiscale Monografie bijzonder geschikt voor onder meer belastingadviseurs, de rechterlijke macht, werknemers bij de belastingdienst, en opdrachtgevers- en nemers in algemene zin.

Specificaties

ISBN13:9789013158786
Taal:Nederlands
Bindwijze:paperback
Aantal pagina's:176
Druk:3
Verschijningsdatum:6-5-2020
Hoofdrubriek:Juridisch
ISSN:

Lezersrecensies

Wees de eerste die een lezersrecensie schrijft!

Geef uw waardering

Zeer goed Goed Voldoende Matig Slecht

Inhoudsopgave

Inleiding / XI

HOOFDSTUK 1 Het ondernemingsbegrip: kaders en achtergronden / 1
1.1 Inleiding / 1
1.2 Het ondernemingsbegrip onder de Wet IB 1914 / 1
1.3 Het ondernemingsbegrip onder het Besluit IB 1941 / 3
1.4 Het ondernemingsbegrip onder de Wet IB 1964 / 4
1.5 Het ondernemingsbegrip onder de Wet IB 2001 / 6

HOOFDSTUK 2 De onderneming als bron van inkomen / 7
2.1 Inleiding (algemene en bijzondere bronvoorwaarden) / 7
2.2 De bijzondere voorwaarden van de bron onderneming / 8
2.3 Deelname aan het economische verkeer / 9
2.3.1 Achtergrond / 9
2.3.2 Het gebruikelijke kader van wederzijdse hulp en bijstand / 10
2.3.2.1 Algemeen / 10
2.3.2.2 Verplegings- en verzorgingswerkzaamheden / 11
2.3.2.3 Gastouderschap / 11
2.3.2.4 De meewerkende belastingplichtige / 12
2.3.3 Werkzaamheden voor een gemeenteraad of ministeriële commissie / 13
2.4 Het vereiste van de subjectieve voordeelsverwachting (winstoogmerk) / 13
2.4.1 Achtergrond / 13
2.4.2 Vriendendiensten / 15
2.4.3 Vrijetijdsbesteding / 16
2.5 Het vereiste van de objectieve voordeelsverwachting / 16
2.5.1 Achtergrond / 16
2.5.2 Feiten en omstandigheden die licht werpen op de objectieve voordeelsverwachting / 17
2.5.3 Het belang van de behaalde resultaten / 18
2.5.3.1 Algemeen / 18
2.5.3.2 Het behaalde resultaat is positief / 19
2.5.3.3 Het behaalde resultaat is negatief / 20
2.5.4 Niet noodzakelijk dat winstverwachting wordt gerealiseerd / 21
2.6 Een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal / 22
2.7 Toerekening van werkzaamheden binnen de bron (één of meerdere objectieve ondernemingen?) / 23
2.7.1 Algemeen / 23
2.7.2 Relevantie van afbakening / 24
2.7.3 Beoordelingskader afbakening (het nauwe-samenhangcriterium) / 25

HOOFDSTUK 3 Invulling van het ondernemingsbegrip in de rechtspraak / 27
3.1 Inleiding / 27
3.2 Richtinggevende jurisprudentie / 28
3.2.1 Essentiële factoren voor de onderneming / 28
3.2.2 Essentiële factoren voor het zelfstandig uitgeoefend beroep / 30
3.2.3 Omstandighedencatalogus / 31
3.3 Zelfstandigheid van de werkzaamheden / 32
3.3.1 Zelfstandigheid met betrekking tot de invulling van de werkzaamheden / 33
3.3.2 Zelfstandigheid met betrekking tot de organisatie van de werkzaamheden / 34
3.4 Ondernemingsrisico’s / 35
3.4.1 Risico’s die verband houden met het genereren van omzet / 35
3.4.1.1 De vergoeding die voor de werkzaamheden wordt ontvangen / 35
3.4.1.2 Acquisitie- en continuïteitsrisico’s / 38
3.4.1.3 Risico’s die verband houden met ziekte en arbeidsongeschiktheid / 39
3.4.2 Aansprakelijkheidsrisico’s / 39
3.5 De omvang en inrichting van de werkzaamheden / 40
3.5.1 Inleiding / 40
3.5.2 Omvang en duurzaamheid / 40
3.5.2.1 Omvang van de werkzaamheden / 41
3.5.2.2 Duurzaamheid van de werkzaamheden / 42
3.5.2.3 Het aantal opdrachtgevers / 43
3.5.3 Bekendheid naar buiten / 44
3.5.4 De aanwezigheid van kapitaal / 45
3.6 Overige omstandigheden / 47
3.6.1 Het spraakgebruik / 47
3.6.2 De kwalificatie als ondernemer voor de omzetbelasting / 47
3.7 Conclusies / 48

HOOFDSTUK 4 Bronafbakening / 51
4.1 Inleiding / 51
4.2 De rangorderegeling / 51
4.3 Winst uit onderneming versus loon uit dienstbetrekking / 52
4.3.1 Inleiding / 52
4.3.2 Fiscaal-juridisch kader van de dienstbetrekking / 53
4.3.3 Elementen van de arbeidsovereenkomst / 56
4.3.3.1 De gezagsverhouding / 56
4.3.3.2 Persoonlijk verrichten van arbeid / 58
4.3.3.3 Verplichting tot het betalen van loon / 60
4.3.4 Fiscaal-juridisch kader van de overeenkomst van opdracht / 61
4.3.5 Afbakening algemene instructiebevoegdheid en gezagsverhouding / 62
4.3.5.1 Algemeen / 62
4.3.5.2 Rechtsvormende arresten / 63
4.3.5.3 Invulling van het begrip ‘gezagsverhouding’ in de rechtspraak / 64
4.3.5.4 Invulling van het begrip ‘algemene instructiebevoegdheid’ in de rechtspraak / 65
4.3.6 Samenvatting afbakening onderneming versus dienstbetrekking / 66
4.4 Winst uit onderneming versus resultaat uit overige werkzaamheden / 68
4.4.1 Inleiding / 68
4.4.2 Juridisch kader ‘resultaat uit overige werkzaamheden’ / 68
4.4.3 Afbakening onderneming en overige werkzaamheid / 71
4.4.3.1 ‘Enige vorm van arbeid’ versus ‘duurzame organisatie van kapitaal en arbeid’ / 71
4.4.3.2 Casuïstiek / 71
4.4.4 Werkzaamheden die verband houden met de exploitatie van vermogen / 72
4.4.4.1 Algemeen / 72
4.4.4.2 Meer dan normaal, actief vermogensbeheer / 73
4.4.4.3 Exploitatie van vermogen in een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal / 76
4.4.5 Samenvatting afbakening onderneming versus resultaat uit overige werkzaamheden / 77

HOOFDSTUK 5 Aanvang en einde van de objectieve onderneming / 79
5.1 Inleiding / 79
5.2 Aanvang van de objectieve onderneming / 80
5.2.1 Inleiding / 80
5.2.2 Het tijdstip waarop aan de (bijzondere) bronvoorwaarden wordt voldaan / 81
5.2.3 Resultaten behaald in de aanloopfase van een onderneming / 83
5.2.4 Uitgroei van een werkzaamheid naar een onderneming / 85
5.2.4.1 Sfeerovergang / 85
5.2.4.2 Doorschuiffaciliteit (art. 3.99 Wet IB 2001) / 85
5.2.4.3 Wanneer is sprake van het uitgroeien van een werkzaamheid naar een onderneming? / 86
5.2.4.4 Toepassing art. 3.99 Wet IB 2001 bij exploitatie vermogensbestanddelen / 87
5.3 Einde van de objectieve onderneming / 87
5.3.1 Inleiding / 87
5.3.2 Staking van de gehele onderneming / 88
5.3.2.1 Ontbreken duurzame organisatie van arbeid en kapitaal / 88
5.3.2.2 Ontbreken objectieve voordeelsverwachting / 89
5.3.2.3 Ontbreken subjectieve voordeelsverwachting / 90
5.3.3 Gedeeltelijke staking wegens duurzame inkrimping werkzaamheden / 91
5.3.4 Gedeeltelijke staking wegens overdracht of liquidatie van een zelfstandig gedeelte van de onderneming / 92
5.3.4.1 Inleiding / 92
5.3.4.2 Niet vereist dat onderneming duurzaam is ingekrompen / 94
5.3.4.3 Geen staking bij entameren soortgelijke werkzaamheden / 95
5.3.5 Verplaatsing van de onderneming / 95
5.4 Conclusies / 96

HOOFDSTUK 6 Het ondernemersbegrip: kaders en achtergronden / 99
6.1 Inleiding / 99
6.2 Het ondernemersbegrip in de Wet IB 1914 / 100
6.3 Het ondernemersbegrip in het Besluit IB 1941 / 100
6.4 Het ondernemersbegrip in de Wet IB 1964 / 101
6.5 Het ondernemersbegrip in de Wet IB 2001 / 102
6.5.1 Het begrip ‘ondernemer’ van art. 3.4 Wet IB 2001 / 102
6.5.2 Medegerechtigdheid tot een onderneming / 103

HOOFDSTUK 7 De ondernemerscriteria / 105
7.1 Inleiding / 105
7.2 Het drijven van een onderneming voor rekening van de belastingplichtige / 105
7.2.1 Inleiding / 105
7.2.2 Medegerechtigd tot het vermogen van een onderneming / 106
7.2.3 Niet noodzakelijk dat wordt gedeeld in de verliezen / 109
7.2.4 Bronnen waaruit de gerechtigdheid kan worden afgeleid / 109
7.3 Rechtstreekse verbondenheid voor verbintenissen betreffende de onderneming / 110
7.3.1 Inleiding / 110
7.3.2 Verbondenheid beoordeeld naar burgerlijk recht / 111
7.3.3 De omvang van de aansprakelijkheid / 112
7.3.4 Het begrip ‘rechtsreeks’ / 113
7.3.4.1 Algemeen / 113
7.3.4.2 Deelgerechtigdheid in een huwelijksgoederengemeenschap / 113
7.3.4.3 Deelgerechtigdheid in een nalatenschap / 115
7.4 Duur van het ondernemerschap / 115
7.5 De medegerechtigde / 116
7.5.1 Algemeen / 116
7.5.2 Anders dan als ondernemer of aandeelhouder / 116
7.5.3 Niet vereist dat gerechtigdheid zich uitstrekt tot liquidatiesaldo / 117
7.5.4 Medegerechtigde wordt niet gelijkgesteld met ondernemer / 118
7.6 Indirecte betrokkenheid bij een onderneming / 118
7.6.1 Inleiding / 118
7.6.2 Huurder en verhuurder van een onderneming / 118
7.6.3 Overdracht van een onderneming tegen een winstrecht of lijfrente / 120
7.7 Conclusies / 120

HOOFDSTUK 8 Ondernemerschap in samenwerkingsverbanden / 123
8.1 Inleiding / 123
8.2 Participanten in een maatschap / 124
8.3 Participanten in een vennootschap onder firma / 126
8.4 Participanten in een commanditaire vennootschap / 127
8.4.1 Onderscheid tussen openbare en besloten commanditaire vennootschappen / 127
8.4.2 De kwalificatie van een beherend vennoot in een besloten cv / 128
8.4.3 De kwalificatie van een commanditaire vennoot in een besloten cv / 129
8.5 Participanten in een fonds voor gemene rekening / 131
8.6 Enkele bijzondere situaties: stapeling van personenvennootschappen en man/ vrouw-firma’s / 132

Slotbeschouwing / 135
Jurisprudentieregister / 145
Trefwoordenregister / 153

Managementboek Top 100

Rubrieken

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden

        Het ondernemers- en ondernemingsbegrip in de Wet IB 2001