Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Interview

Mirko Noordegraaf

‘It’s the society, stupid!’

In zijn in februari 2008 uitgesproken oratie, in uitgebreide vorm bij uitgeverij Lemma verschenen onder de titel Professioneel bestuur, neemt Mirko Noordegraaf fel stelling tegen de generaliserende kritiek op managers in de publieke sector. ‘De discussie zou veel genuanceerder gevoerd moeten worden’, vindt de hoogleraar Bestuurs- en Organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht.

Hans van der Klis | 15 augustus 2008 | 5-7 minuten leestijd

Uw oratie heeft iets weg van een pamflet: de titel had Verdediging van de Publieke Manager kunnen luiden. Waardoor werd u geïnspireerd?

Dat kan het best omschreven worden als een combinatie van aanloopomstandigheden. Ik ben zelf al heel lang geïnteresseerd in leidinggeven in het publieke domein, zowel in statelijke organisaties zoals de politie of scholen, als in dienstverlenende organisaties, zoals de gezondheidszorg. Wat mij eind jaren tachtig, begin jaren negentig al opviel, is dat de managers van deze organisaties steeds beter zichtbaar werden: politiecommissarissen, schoolhoofden, ziekenhuisdirecteuren. In die zichtbaarheid zat een verwachting: als managers werden zij verantwoordelijk geacht voor hun organisaties en moesten zij iets waarmaken. Tegelijkertijd was duidelijk dat deze managers te maken hadden met de onmogelijkheid om die opdracht op korte termijn te vervullen. Denk aan iemand als Sweder van Wijnbergen, destijds secretaris-generaal op het ministerie van Economische Zaken. Van hem werden grote dingen verwacht, maar hij was niet in de positie om daar invulling aan te geven. Rond de eeuwwisseling kwam daar, onder invloed van onder meer Pim Fortuyn, een conflict bij: er ontstond een groeiende weerzin tegen grote organisaties, tegen bureaucratie. Managers kregen het verwijt dat zij met hun bemoeizucht schade zou toebrengen aan de processen op de werkvloer. Professionals werden gezien als slachtoffers, managers als schuldigen. Het paradoxale is dat tegelijkertijd een groeiende behoefte ontstond aan meer efficiency en meer accountability, waarin wel een grote rol voor managers is weggelegd. Het conflict werd echt interessant toen het op het scherp van de snede werd uitgevochten: Ronald Plasterk liet in Vrij Nederland de kreet ‘Weg met de manager’ optekenen, Ad Verbrugge legde de schuld voor de problemen in het onderwijs bij de managers.

Wat is er mis met hun denkbeelden?

Zij maken alleen een analyse van de verwachtingen waarmee de managers te maken hebben, niet van de onmogelijkheid om deze in te lossen. Natuurlijk gaan er dingen mis: soms raken professionals gefrustreerd, soms gaat er ook iets mis in de transactie tussen professional en publiek. Het is evident dat er problemen zijn. Maar die hebben veel meer oorzaken. Het is te gemakkelijk deze in de schoenen van de managers te schuiven. Mijn stelling is: ‘It’s the society, stupid.’ De manager is niet de schuldige, hij is ook het slachtoffer, en wel van grotere maatschappelijke krachten. De discussie zou veel genuanceerder gevoerd moeten worden. Het is geen kwestie van of-of, maar van én-én.

Treft de manager dan helemaal geen blaam voor de problemen rond de schaalvergroting, het verlies van het persoonlijke contact en dergelijke?

Natuurlijk wel. Veel leidinggevenden hebben zich te gemakkelijk overgegeven aan MBA-technieken en zijn doorgeschoten met hun Balanced Score Cards, INK modellen, en hun streven naar planning & control, prestatiemanagement, en afrekenbaarheid. Maar ik erger mij aan het simplisme waarmee de discussie wordt gevoerd. Als een minister zegt: ‘Weg met de manager’, vind ik dat erg simpel. Er zijn genoeg mensen die deze opmerking letterlijk nemen. Ik vind deze opstelling ook een miskenning van de genoemde maatschappelijke krachten. Critici als Ad Verbrugge laten zich naar mijn smaak ook te veel leiden door een nostalgisch verlangen naar het verleden. Het zou beter zijn om naar de toekomst te kijken en slimme oplossingen te ontwikkelen voor de problemen waarmee wij kampen.

In uw oratie zegt u dat de tegenstelling tussen publieke managers en professionals sinds de opkomst van Fortuyn op scherp staat. Wat was zijn bijdrage?

De discussie was in 2002 op zijn hoogtepunt, maar hij is niet opeens opgekomen. Eind jaren negentig stak voor het eerst de herwaardering voor het kleinschalige de kop op. Behalve Fortuyn heeft ook het CDA daarin een rol gespeeld. De latere kongsi tussen Fortuyn en Balkenende is niet toevallig. Na de verkiezingen van 2002 kon je zien dat er sprake was van een politiek feit en namen ook andere partijen, als de VVD, stelling in deze discussie.

Is de kritiek op de rol van de manager een typisch Nederlands fenomeen?

Misschien wel de heftigheid waarmee de discussie de laatste jaren is gevoerd. In Groot-Brittannië heeft deze discussie in de jaren na Thatcher ook gewoed. Toen was de kritiek ook wel heftig, maar Groot-Brittannië heeft nooit de omstandigheden gekend die wij hadden tijdens de opkomst van Fortuyn. Met de Third Way van Tony Blair is bovendien eerder al een andere koers ingezet, dus heeft de kritiek daar minder doorgeklonken. Tegelijkertijd zijn ook daar de rankings van instellingen als scholen en ziekenhuizen zeer populair, net als in Nederland, waar kranten als Trouw en de Volkskrant dergelijke lijsten publiceren. Wat dat betreft is het ook interessant om te zien dat de kritiek die Fortuyn had tamelijk paradoxaal was: enerzijds keerde hij zich af van bureaucratie, anderzijds wilde hij wel meer efficiency.

De kritiek op managers doet mij wel eens denken aan de kritiek die ambtenaren al jarenlang ten deel valt. Terecht?

De retorische kritiek richt zich op een aantal begrippen, zoals bureaucratie, overhead, ambtelijkheid. De negatieve invloeden daarvan worden afgezet tegen de rol van de professional. Maar de kritiek is niet heel precies geformuleerd. De kritiek op het ambtelijke zijn wij deels kwijtgeraakt, maar de kritiek op de bureaucratie niet. En dat is vreemd, want het bestrijden van de bureaucratie was juist de inzet van de verzakelijking. De koppeling met de rol van de manager is ook vreemd, want daar is sprake van een tegenstelling. De manager zou veel liever in vrijheid opereren. Juist de professional heeft behoefte aan bureaucratie, wat eigenlijk niets anders is dan standaardisering. De discussie bestaat kortom voor een groot deel ook uit een taalspel.

Wat dacht u eigenlijk toen het boek van Mathieu Weggeman, Leidinggeven aan professionals? Niet doen!, tot Managementboek van het Jaar werd verkozen?

Dat vond ik eigenlijk wel leuk. Ik ken hem een beetje, en bovendien correspondeert de titel niet één-op-één met de inhoud. Zijn ideeën zijn minder contrastrijk met de mijne dan je zou denken. Ik vind wel dat hij het politieke en maatschappelijke krachtenveld te weinig in zijn betoog verdisconteert. Maar dat kun je hem ook niet aanrekenen: hij is meer een organisatiekundige, ik ben meer een bestuurswetenschapper.

Deel dit artikel

Wat vond u van dit artikel?

0
0

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden